| Het Antilliaans feest (Sim Simons) |
Aspecten van de toenemende - in wezen hernieuwde - Caraïbische invloed op jazz
Juni 1956 - rechtstreekse TV-uitzending vanuit het Apollo Theater aan het Antwerpse Koningin Astridplein: een gedeelte van een concert door de mambo-koning van het ogenblik: Perez Prado. Een weinig boeiende vertoning werd het. De band van Francis Bay steeg in de achting - Francis speelde al die Prado-hits clean en met enthousiasme. Achteraf bleek de broer van Perez Prado het goed menend en goed betalend publiek bij de neus te hebben gehad ...
GOLFSTROOM
De eenzaamheid van de Golfstroom was verholpen. De nieuwe(re) golfstroom ontstond in dezelfde zee - de Caraïbische en de Golf van Mexico, waar Tampico (een hit van Stan Kenton in 1946) ligt. De Fransen hadden met musique typique al direct een etiket bedacht, wij hielden het maar bij Latijns-Amerikaanse muziek. De naam mambo dook op in een nummer dat Perez Prado in 1949 in Cuba speelde: Que Rico el Mambo. Hoe rijk die mambo wel was bewees toparrangeur (later ook producer van o.m. Sinatra) Sonny Burke toen hij het nummer een jaar later coverde als Mambo Jambo. Met zijn wereldhit (zelf een cover van Pierre Louigys Cerisiers Roses et Pommiers Blancs) Cherry Pink and Apple Blossom White in 1955 zette hij ook de cha cha cha meer kracht en luister bij - wat te lande een groepje jazzgeoriënteerde musici als tenorist Vic Ingeveld o.l.v. Gaston Bogaert aanzette tot de oprichting van de behoorlijk lucratieve Chakachas.
Andere variété/lichte muziek vedetten brachten enigszins afwijkende maar erg verwante ritmen mee - Harry Belafonte de calypso met Banana Boatsong (1957) en Island in the Sun (1958), halverwege de jaren zestig exporteerde Jamaica met Peter Tosh en vooral Bob Marley de reggae, waarover Bruce Raeburn het straks nog heeft. In 1963 duikt op de LP Salsa Namas van Charlie Palmieri de benaming salsa op en drie jaar later evenzo op een Cal Tjader-CD: Soul Sauce. En waar salsa oorspronkelijk de opgewekt-zonnige dansmuziek van de Spaanssprekende bevolking van groter NYC is, evolueert het naar een begrip dat een hele reeks Latijns-Amerikaanse dansen opslorpt als de reeds geciteerde, de rumba, de guaracha, de bolero - niet de tango uiteraard. De rol van de vocalist is er belangrijk - Celia Cruz is de Queen of the Salsa, Tito Puente, Irakere (met pianist Chucho Valdez - later met Roy Hargroves Crisol), Eddie Palmieri, soms Oscar dLéon - het zijn er maar enkelen. Met soms David Sanchez erbij wordt de jazz-link uitgebreid of bevestigd.
VOOR DE GESCHIEDENIS
De slaventransporten uit West-Afrika leverden twee en een halve eeuw hun verse koopwaar af, hoofdzakelijk aan de oostzijde van het middendeel van de beide Amerikas. Centraal-Amerika is een té enge omschrijving - men ging een stuk noordelijker en zuidelijker. En men botste ook op de Antillen, waar ook talloze ladingen arriveerden. New Orleans was een leverplaats, maar lang niet de enige. En de zwarten gingen er om en bij 1900 niet meteen jazz spelen.
We praatten met Bruce Raeburn - zoon van Boyd Raeburn en conservator van het jazzarchief bij Tulane University in New Orleans over de invloed van de eilanden op de basis van de jazzstamboom.
Je kan niet genoeg de nadruk leggen op de impact van de cultuur van de Caraïben op New Orleans. Voeg daarbij een Cuban Connection en één met Panama. Velen van de slaven die in Zuid-Louisiana arriveerden hadden reeds een tussenstation achter de rug - op de eilanden of aan de kust van de Golf van Mexico. Voor een flink aantal was dat een verblijf van enkele generaties voor ze bijvoorbeeld met hun Franse planter naar Louisiana uitweken. Hun Afrikanismen waren toen al bestoven en gerijpt in de heuvellanden van Haïti. De cultuur die ze meebrachten, was mee de voedingsbodem voor die van een stad als New Orleans, die per slot van rekening een havenstad was.
En van waaruit ook weer invloeden vertrokken?
Reggae is daar een voorbeeld van. Er zijn op deze muziekvorm invloeden van musici die hadden geluisterd naar de New Orleans bands van de jaren vijftig en zestig. Dat was dus een omgekeerde beweging, maar die uitwisseling was mogelijk doordat er een gemeenschappelijke basis was.
Dus zijn de Antilliaanse invloeden reeds in New Orleans aanwezig voor er van jazz sprake was?
Neem een musicus als Manuel Manetta uit Algiers. Hij overleed er in 1969, net 80 jaar oud en speelde alle instrumenten - hij was dan ook meer dan de helft van zijn leven music teacher. Hij speelde nog met Buddy Bolden - één van zijn truuks was trompet en ventieltrombone tegelijk én in harmonie te spelen. Toen we hem voor onze oral history (tapes met interviews - die voor de student bovendien uitgeschreven zijn - in Tulane uiteraard) een blues lieten spelen, deed hij dat in een habanera ritme. James Booker deed dat ook. En Jelly Roll Morton in de New Orleans Blues/Stomp in 1923 en Mamamita een jaar later.
De Spanish Tinge - vond je die ook in ragtime terug?
In Heliotrope Bouquet van Scott Joplin en Louis Chauvin b.v. Ook het tweede thema van Handys Saint-Louis Blues heeft een rumbabeat. Rumbas werden door de zwarten gedanst. In de revival New Orleans jazz zijn rumba-getinte nummers als Mama Inez en On a Cocoanut Island op het repertoire. Kijk ook hoe de totaliteit van Caribbean en Latin American Connections in meerdere of mindere mate versmolten of versmelten met eeuwenoude Afrikaanse, Europese en Mediterrane culturen. Het is een beetje als gumbo - hoe langer je het laat doorsudderen, hoe beter de smaak wordt.
En welke bijdrage leverden de oorspronkelijke Amerikaanse bevolking - de Indianen?
Jelly Roll Mortons muziek lijkt bindingen met hen te hebben. Momenteel onderzoeken we of de stop-time niet van hen kan komen. Hun percussiepatronen lopen voor een stuk gelijk met de West-Afrikaanse, maar de polyritmische benadering is anders. Er is wel een heel sterke down-beat aanwezig. Maar ... the New Orleanians are basically borrowing from everybody. However, when they borrow, they change a little bit. Komt daarbij de interactie tussen de locale groepen, waardoor de klank van de stad zich onderscheidt van de rest.
HET VOORGERECHT
Spaanse (Xavier Cugat) en Portugese (de niet zo geniale Carmen Miranda - met de fruithoed) invloeden warmen de scène voor en na de tweede wereldoorlog op. Cugat had al in 1935 gescoord met Peanut Vendor (dat in 1931 als El Manisero gecomponeerd was) en met Begin the Beguine - in 1938 met succes door een jazz-orkest (Artie Shaw) hernomen. Inmiddels zijn een aantal rond 1900 geboren Cubaanse musici naar de USA uitgeweken - de eerste was fluitist en rietblazer Alberto Socarras (1908), die in de jaren twintig vijf jaar bij Clarence Williams speelde en daarna even lang in de Blackbirds show. In de jaren dertig werkte hij met Benny Carter, Sam Wooding en Erskine Hawkins en leidde bands waarin het schrijfwerk door Edgar Sampson gedaan werd en de percussie door Mongo Santamaria.
Belangrijker was Juan Tizol (1900), die al op zijn twintigste in de Verenigde Staten is en die haast uitsluitend voor Duke Ellington en Harry James zal werken. Let wel; Tizol is geen Cubaan, maar Puerto Ricaan. Duke wierf hem aan omdat hij een perfect lezer was en omdat transponeren voor hem kinderspel bleef. Bovendien had hij op zijn ventieltrombone een enig mooie toon. Een jazzsolist was hij geenszins. Eventuele solopassages waren in de studio uitgeschreven. Maar daarentegen had hij wel flair voor mooie melodische lijnen, o.m. over een Latijns ritme. Het leverde in 1936 Caravan op, dat in de fullband Ellingtonversie tot een eerste meesterwerk van jazzorkest in de Antilliaanse traditie werd. Volgden als overige uitschieters nog Conga Brava (1940) en (heette toen ook Tizols Stomp) Perdido (1942).
Francisco/Frank Grillo (1908) is beter gekend als Machito. Bepalend voor zijn muzikale carrière was de ontmoeting met zijn latere zwager Mario Bauza (1911), de belangrijkste exponent van de Cubaanse invloed op jazz. Hoboist-klarinettist Bauza werd trompettist, Machito vocalist. Bauza vertrok als eerste (1930) en bracht vijf jaar door bij de band van Chick Webb en twee bij Cab Calloway, waar hij Dizzy Gillespie ontmoette. Hij werd muzikaal directeur voor Machito, die in 1937 arriveerde en schreef, toen zijn baas onder de wapens was een hit - Tanga, die de tune van de La Conga Club in Manhattan werd.
DE JAZZSCHOTEL
De jazzbands wachtten niet lang om het nieuwere genre uit te proberen. Charlie Barnet (New Redskin Rumba - 1940), Woody Herman (Bijou - Rhumba à la Jazz ... - 1945), Stan Kenton (Machito/Peanut Vendor (1947), 23°N, 82°W - de geografische ligging van Havana (1952), Tadd Dameron (Jahbero - 1948), Bud Powell (Un Poco Loco - 1951), Bird (My Little Suede Shoes) - de lijst is veel langer.
Dizzy Gillespie is een geval op zich. Its more self-conscious borrowing stelt Raeburn. Hij wist wat hij wilde en wist waar hij het kon vinden en waarmee zijn ideeën uit te breiden. Hij had Night In Tunesia en Algo Bueno = Woodyn You al achter de rug. In 1947 haalde hij meester-percussionist Chano Pozo (1915) die in de New Yorkse El Barrio als danser/percussionist/vocalist aan de slag was in de band, maar bij het Carnegie Hall concert van 29 september 1947 (waar ook Ella met de band zingt en waarvan kwintetopnamen met Parker bestaan), dat titels als Festival in Cuba, Panic in Puerto Rico en Cubana Be, Cubana Bop verschijnen, Manteca volgt aan het eind van het jaar, in 1948 komen nog de Afro-Cuban Suite en Guarachi Guaro. Pozo wordt dat jaar vermoord. Hij is niet te verwarren met Chino Pozo (ook 1915), die we bij Machito, Tito Puente en Perez Prado terugvinden. Inmiddels heeft Cuba zijn zonen uitgezonden - namen als die van percussionisten Mongo Santamaria (1922) en Candido Camero (1921) klinken vertrouwd op de US-scène. Camero zit in Dukes A Drum is a Woman, muzikaal hoogstaand, maar visueel en inhoudelijk mager. Candido is er Carribee Joe (de originele TV-film werd gemaakt voor het US-Steel Hour en zit vol publiciteit).
NAGERECHT
De hoofdschotel is een brok geschiedenis op zichzelf. De barricade tegen Cuba in 1962 houdt nieuwe Cubaanse uitvoer ten dele tegen, maar de langzame ontsluiting leverde al nieuwe namen op als pianist Gonzalo Rubalcabo. De nieuwe temperamenten kunnen jazz alleen maar verrijken. De fusie verloopt vlot, want de basis van de Antilliaanse kiemen was reeds lang sluimerend aanwezig. Evenzo met de Braziliaanse invloeden als bossa nova en samba en de Argentijnse als de tango. Hier ligt de situatie wel enigszins anders. Ondanks de Echo Tango de Blue Jean Beguine, La Virgen de la Macarena en de Bunny Hop Mambo van Duke uit de Capitoljaren.