Op weg naar een nieuw bas-vocabulaire (Herman te Loo)

De bas is in de jazz jaren het ondergeschoven kindje geweest. De eerste bassist van enige naam en faam, Jimmy Blanton, dook pas in de jaren ‘40 op. En de ware emancipatie van de contrabas kwam pas in de vroege jaren ’60 op gang. Muzikanten als Charlie Haden en Charles Mingus maakten van het instrument meer dan alleen een harmonisch en ritmisch ankerpunt in de ritmesectie. De bas werd een volwaardig solo-instrument, met soms ook binnen de arrangementen wel een vrijere rol.

Maar toen midden de jaren ’60 het vocabulaire van de jazz veranderde, bleef het geluid van de contrabas vrijwel ongewijzigd. Waar Coltrane de extremiteiten van zijn saxofoon opzocht en nieuwe klankwerelden opende voor navolgers als Pharoah Sanders en Albert Ayler, speelde zijn bassist Jimmy Garrison niet wezenlijk anders op zijn instrument dan collega’s in achterliggende stijlperioden. De bas was, in navolging van zijn oude rolmodel, de tuba, vooral een staccato instrument. Garrison kon weliswaar vrijer met het notenmateriaal omspringen dan zijn bebopcollega’s uit de jaren ’50, maar het vier-in-de-maat-gevoel bleef immer aanwezig, en in zijn solo’s overheerste het pizzicato-spel.

Er zijn altijd wel bassisten geweest die de strijkstok ter hand namen, met soms heel aardige (Oscar Pettiford, Scott LaFaro, Richard Davis) resultaten, maar even zo vaak tenenkrommende valsheid (Ron Carter, Paul Chambers). Niet altijd hadden de muzikanten een klassieke opleiding genoten, en dan blijft zuiver strijkwerk vaak een probleem.

Nieuwe ontwikkelingen in het bas-vocabulaire in de jazz kwamen niet uit Amerika, maar van de andere kant van de oceaan. In de Europese geïmproviseerde muziek stonden bassisten op met een gedegen klassieke opleiding en een gezonde experimenteerdrift op het gebied van klankmogelijkheden. Van de eerste generatie zijn de Nederlander Maarten (Van Regteren) Altena, de Duitser Peter Kowald en de Engelsman Barry Guy belangrijke namen. Met name de laatste heeft een geheel eigen idioom weten te scheppen. Naast zijn praktijk als improvisator heeft hij zich bekwaamd in het spelen van barok-muziek en eigentijdse gecomponeerde muziek. In beide werelden heeft hij ideeën opgedaan die hem uitstekend dienen bij het improviseren. Guy was een der eersten die zich met volume- en effectpedalen bezighield (zoals dat bij gitaristen in de pop al jaren usance was). Verder ging hij op zoek naar alternatieven voor het beroeren van de snaren. Met stokjes, kwasten en doeken ontlokte hij aan zijn bas klanken die niet op enige andere wijze te produceren waren. Ook andere onderdelen van het instrument, zoals de klankkast en de toets zijn voor Guy belangrijke klankvormende elementen. Net als zijn landgenoot, saxofonist Evan Parker, is hij het stadium van pure experimenteerdrift reeds lang te boven. Alle nieuwe speelmethoden zijn volledig deel gaan uitmaken van zijn klank-arsenaal, en klinken even natuurlijk als een gewone streek of pluk. Zijn solo-cd “Fizzles” is daarvoor een indrukwekkend betoog.

In de Verenigde Staten ontstond langzamerhand ook jazz die zich meer op de Europese Klassieke muziek ging beroepen. De klankwereld van rietblazer/componist Anthony Braxton, bijvoorbeeld, is even stevig geworteld in de traditie van de Westerse gecomponeerde muziek als in die van de jazz. Hij verzamelde daarom muzikanten om zich heen die dezelfde brede belangstelling en achtergrond aan de dag legden: fantasierijke improvisatoren en tegelijkertijd gedegen bladmuziek-lezers. Tijdens een Europese tournee in 1985 ontsloeg Braxton zijn toenmalige bassist, John Lindberg, en op voorspraak van slagwerker Gerry Hemingway meldde Mark Dresser zich bij het concert in Ljubljana. Hij kreeg een aantal razend moeilijke stukken voor zijn neus, maar als klassiek geschoold musicus wist hij zich er goed doorheen te slaan.
Dresser werd een van de belangrijkste vormgevers van ‘de nieuwe contrabas’ in de VS. Net als Guy experimenteerde hij met elektronica (hoewel altijd wel in de vorm van versterking, en nooit met vervorming). Hij stortte zich veel meer op instrument-eigen vernieuwingen. Zo hield hij zich intensief bezig met allerlei verschillende manieren van stokvoering (bovenhands of onderhands, een onderscheid waarop hij door leraar Bertram Turetzky gewezen was) en het met twee handen bespelen van de toets. Door dit laatste ontstaat een soort meerstemmigheid die absoluut een nieuwe dimensie aan het instrument geeft. Om het belang van de strijkers in de jazz en geïmproviseerde muziek van de jaren ’80 te benadrukken, startte Dresser samen met cellist Hank Roberts (die later vervangen werd door Ernst Reijseger) en violist Mark Feldman een strijktrio, Arcado.

Ook de Nederlandse bassist Ernst Glerum voelde in die periode de behoefte om zo’n ensemble te starten. Met altviolist Maurice Horsthuis en (alweer) Ernst Reijseger vormde hij het Amsterdam String Trio. In tegenstelling tot Dresser staat Glerum voor een geheel akoestische aanpak. Als het maar enigszins mogelijk is, laat hij zijn versterker thuis. Hij geniet vooral van het pure geluid van het instrument. Een soort back to basics, maar wel gekleurd door de ontwikkelingen die er in de loop der jaren langsgekomen zijn. Glerum speelt absoluut niet als een bassist die ook in de jaren ’50 geleefd zou kunnen hebben. Hij is ook het meest op zijn plek in kamermuziek-achtige ensembles, zoals het trio met pianist Guus Janssen en slagwerker Wim Janssen. Zijn grote forte is loepzuiver strijkwerk, en een subliem gevoel voor projectie. Dit heeft tot gevolg dat hij zich zelfs in een luide omgeving (hij speelt regelmatig samen met drummer Han Bennink, onder meer bij Misha Mengelbergs ICP Orkest) zeer goed verstaanbaar kan maken.

Het zware, donkere contrabasgeluid, gekoppeld aan een stevige kennis van de jazztraditie (en dus een goed gevoel voor swing) is het kenmerk van nog een aantal belangrijke hedendaagse bassisten. Naast Glerum zijn het vooral de Amerikaan Mark Helias, de Fransman Jean-Jacques Avenel en de naar de VS geëmigreerde Engelsman Dave Holland die in dit rijtje thuishoren. Voor deze musici is een versterker soms een noodzakelijk kwaad, maar de akoestische kwaliteit en het aardse geluid van het instrument staan voorop.

De Amerikaan William Parker is vooral geïnteresseerd in lage sonoriteiten. In de groep Intermission onderzoekt hij met zijn Nederlandse en Japanse collega’s Wilbert de Joode en Hideji Taninaka en de Nederlandse bassaxofonist Klaas Hekman hoe spannend lage noten kunnen zijn. Het boventonenspel dat ontstaat door de bijna ultrasone geluiden van het kwartet is inderdaad fascinerend, en Intermission klinkt dan ook als geen enkel ander ensemble. De naam van de groep is een geuzennaam, en stamt van Duke Ellington, die een bassolo aankondigde met ‘Intermission’, pauze. En zo zijn we dus weer terug bij Jimmy Blanton.


Selectieve discografie:

Barry Guy - Fizzles (Maya Recordings MCD 9301)
Anthony Braxton Quartet (London) 1985 (Leo Records CD LR 200/201)
Anthony Braxton Quartet (Birmingham) 1985 (Leo Records CD LR 202/203)
Anthony Braxton Quartet (Coventry) 1985 (Leo Records CD LR 204/205)
Arcado String Trio - Behind The Myth (JMT 834441)
Arcado String Trio - For Three Strings And Orchestra (JMT 849152)
Amsterdam String Trio - Wild West (Nimus 506)
Janssen/Glerum/Janssen - Lighter (Geestgronden GG 11)
Janssen/Glerum/Janssen - Zwik (Geestgronden GG 19)
Intermission - Song Of Low Songs (BV Haast 9612)




homepage