Eric Dolphy: A Gentleman of a Man (Sim Simons)


De zevende dag zou een rustdag zijn - Come Sunday. Het IS het Ellingtonjaar, dus verwijzen we naar de enige drie complete uitvoeringen van “Black, Brown and Beige”, die Duke begin 1943 ooit gaf: Carnegie Hall in New York, Boston en Cleveland. Met de ontroerende en rustbrengende solo (één enkele chorus, 32 maten) van Johnny Hodges.
Twintig jaar later keert diezelfde sfeer weer binnen een heel andere context in de studio’s van Alan Douglas: Eric omspeelt dan de gestreken thema-baslijn van Richard Davis en etaleert schoonheid en rust in al hun uiterlijke grilligheid. “Alone Together”. Stuk dat ze meteen ook samen zouden opnemen. Eric tweemaal op basklarinet, Dolphy op zijn sterkst.


SOMETHING SWEET, SOMETHING TENDER

Neemt Dolphy op voor Blue Note (25 februari 1964), de laatste sessie onder zijn naam in de VS. Op basklarinet. Uitsluitend eigen werk die dag, merkwaardig voor een talent dat over zijn hele (zij het korte, maar toch goed gedocumenteerde) carrière net géén 25 eigen composities opnam. “Out To Lunch” is een kroonaanbieding van deze gentleman. Het titelcitaat in dit verband is van criticus George Avakian. Die dat overigens zelf is ...

Dolphy was een minzaam musicus én mens, altijd bereid tot een gesprek, intelligent in zijn reacties, verdraagzaam, eerlijk, creatief, maar wel heel gedecideerd in zijn muzikale opvatting. Maar ook al is hij nu al 35 jaar niet meer onder ons - hij overleed in Berlijn op 29 juni 1964 - zijn muziek is actueel én individueel gebleven. Er kwam geen tweede Johnny Hodges of Charlie Parker, er kwam geen tweede Eric Dolphy.

Ondanks het feit dat hij voor een leek “vreemde” lijnen speelt, borrelen zijn opnamen van schoonheid, kalmte, ironie en humor. Met een enorm respect voor de melodie. Hij is de enige van zijn wereldbestormende generatie, die in verhouding tot de omvang van zijn oeuvre, zoveel standards op zijn repertoire had. Wat natuurlijk ook erg praktisch was toen hij in latere jaren (of beter: maanden) in Europa met gelegenheids-ritmesecties moest optreden.


STRAIGHT UP AND DOWN

Dolphy zocht naar limieten en probeerde die vanuit heel uiteenlopende hoeken te benaderen en te overschrijden door het intens en functioneel gebruik van zijn hoofdzakelijk drie instrumenten: altsaxofoon, dwarsfluit en basklarinet. Het woord decompositie is in de hedendaagse geïmproviseerde muziek een graag gehanteerd modewoord. Dolphy verklankte het toen al, niet als doel, wel functioneel. Binnen de kortste tijd zat hij terug op zijn spoor. Dat ondanks de vele standards niet geschraagd werd door traditionele akkoordenschema’s. Hij uitte zich op een modale basis, één, veelal twee akkoorden.

Dolphy klinkt heel menselijk. Hij vertelt een verhaal, hij spreekt door zijn instrument. Mensen als Clark Terry en Ray Anderson zijn op dit gebied ook meesters - voor Eric ervaar ik de basklarinet als het ideale medium. Nog een geschenk van Adolphe Sax (1836), die ze niet uitvond, maar wel bestaande modellen perfectioneerde. We beperken ons voor Dolphy tot dat instrument.


THE BARON

Dolphy was niet zelfzuchtig als hij speelde. Waar nodig hield hij zich op het tweede plan, zoals bij dominerende figuren als John Coltrane en “Baron” Mingus. Beiden waren mee bepalend in zijn vorming, maar beïnvloedden zijn speelwijze niet. Trane gebruikt hem hoofdzakelijk als een extra-solist (Village Vanguard) of als kleurtje-op-het-palet, zonder solo (Africa Brass Sessions). Wat niet belet dat Dolphy zich toch met hart en ziel opstelt, haast als een toeschouwer. Ook van zichzelf.

Mingus was zijn eerste “grote” baas, toen hij eind 1959 vanuit het Chico Hamilton Quintet in Greenwich Village arriveerde. Hij verliet hem na een klein jaar, al zouden hun wegen nog meermaals en bijna ultiem kruisen. Vergeten we ook niet, dat Eric amper acht jaar jonger was dan Charlie Parker, al sluiten hun carrières chronologisch gewoon aan mekaar en werd hij amper 17 maanden ouder. Maar Dolphy speelde zich in een verdere generatie. Twee zelfs.

De pers (John Tynan/Down Beat) was niet mals voor hem, vooral in zijn eerste Coltranedagen. In retrospect klinkt hij in die Village Vanguardsessies (1 - 5 november 1961) als een interessanter solist dan Trane, zijn zijn solo’s meer geïnspireerd, voorbeeldig opgebouwd, al maakt hij niet echt deel uit van Het Kwartet.


NAIMA

11 juni 1964 - de ORTF-studio in Parijs, negen dagen na de “Last Date” met Misha Mengelberg in Hilversum. Enig mooie intro op basklarinet van Dolphy, later ook in solo over een matig ritmeduo (Jacques B. Hess, contrabas, en Franco Manzecchi, drums) plus de hopeloos eentonige conga-meppende Billy Brooks, nochtans een voortreffelijk drummer. “Naima”, restant van een dolle novembermaand 1961, aanvankelijk in Max en Claire Gordons Village Vanguard (2 versies op het onmisbare 4 cd-doosje op Impulse! IMPD4-232, stukken goedkoper dan de Japanse 5 cd-versie, waar 32 _ minuut inclusief de tweede Naima op ontbreken!), achteraf in Skandinavië en Zweden, goed gedocumenteerd op moeilijk vindbare Magnetic-cd’s en Historical Performance-lp’s.

Merkwaardig is dat Coltrane op de vijf gekende versies Dolphy’s gezelschap in de thema-expositie duldt, behalve in de allereerste in de Vanguard (1 november 1961). In de regel volgen na het thema twee chorussen solo voor Dolphy op basklarinet, de kortere voorlaatste versie in Stockholm (23 november) heeft er maar één, maar dan een erg geconcentreerde, waar de kleurschakeringen van man en instrument op hooguit ruim een minuut een perfecte monoloog afleveren.

Op de overige twee Vanguard-thema’s waar Eric hoorbaar op basklarinet aanwezig is (“India”-drie takes en “Spiritual” vier), is hij, zoals ik al eerder stelde, een ingehuurde solist. “Spiritual” is een mooi thema, dat Coltrane uit tempo inzet. Na zijn solo op sopraansax komt Dolphy, ingetogen en toch gedecideerd in de eerste versie, voorzichtig bijna (2’ 43”), meer aftastend in het hogere register maar ook in technische etalage, waarop pianist McCoy Tyner onmiddellijk inspeelt in de tweede (3’ 57”), kort maar boeiend in de derde (2’ 14”), uitgebreid in de ook langere laatste (4’ 35”). Tussen haakjes de lengte van Erics solo. In “India” (2’ 37” / 3’ 48” / 3’ 24”) vertelt Dolphy driemaal een ander verhaal telkens verwijzend naar zijn vogelimitaties, telkens uitdeinend in het lage register. De laatste take mist de gebondenheid van de vorige.


FREE JAZZ

“First Take” dan bij voorkeur. 21 december 1960. Dolphy is in beide versies de eerste solist, de speech is heel verschillend (Atlantic 81347), die op “First Take” veel compacter en meer op het voorplan. De andere blazers roeren zich amper, bassist Scott LaFaro reageert wel intens. In de oorspronkelijk gepubliceerde take “Free Jazz” komt de albumtitel “A Collective Improvisation by the Ornette Coleman Double Quartet” beter tot zijn recht. Maar het is een monument, ook voor Dolphy.

Minder courant vindbaar (hoewel op “The Alchemy of Scott LaFaro” - Giants of Jazz CD 53213 en als slotstuk op de 6 cd-doos “Beauty is a Rare Thing - The Complete Atlantic Recordings” van Ornette Coleman op Rhino), maar belangrijk voor de “vroege” Dolphy is “Variants On a Theme by Thelonious Monk” - de Gunther Schuller-herschrijving van “Criss Cross”. In Variant 1 spreekt Eric na Ornette. Variant 3 bevat een pracht van een interplay tussen Ornette, Scott en Eric, met en vooral zonder drums. Twee meesterwerkjes op basklarinet: de solo en de cadenza. De vooravond van “Free Jazz”.


GOD BLESS THE CHILD

Een doos met twee cd’s met Dolphy’s basklarinetsolo’s zou bijzonder relevant zijn. Je leerrijke Dolphynarium ... De moderne technieken geven je de kans die thuis voor jezelf aan te maken. Ik zou daar niet de all-basklarinet sessie van 2 december 1961 opzetten, ondanks de subtiele bijdrage van drummer Mel Lewis: Eric is dikwijls off-mike, de piano van McCoy is ontstemd én vooruitgeschoven, de klank is ondermaats.

Maar er zijn de vier solo-versies van “God Bless The Child”, waar het thema overwegend met tremolo’s wordt gespeeld. De allereerste (16 juli 1961 - Five Spot - 5’ 17”) heeft een geweldig einde van de eerste chorus, maar klinkt ten dele als een oefening. De tweede (30 augustus 1961 - Berlijn - 3’ 26”) is korter en neemt letterlijk een hoge en een lage vlucht, maar de derde (8 september 1961 - Kopenhagen - 6’ 50”) is én de langste én de rijkste. Het tremolo is niet meer zo overheersend, maar is nu een functioneel onderdeel geworden in een spel van contractie en decontractie. De laatste (september/november 1961 - Stockholm - 5’ 25”) is veel bluesier, voor een leek veel toegankelijker. Maar alle vier samen resumeren ze de solist (op basklarinet) Eric Dolphy. Twee en vier staan op de onmisbare 9 cd-box van Prestige).


THE PROPHET

Er is veel méér. “What Love” met Mingus in 1960 (Candid), “Mrs. Parker of K.C.” en “It’s Magic” - het eerste met Booker Little (1960) net als “Booker’s Waltz” (Five Spot 1961), “When Lights Are Low” en “Oleo” in Europa (1961). Plus “Alabama Song” (Sextet of Orchestra USA), “Dedication” (met Andrew Hill) en “Meditations” (met Mingus - alle 1964, het laatste o.m. officieel op “The Great Concert of Charlie Mingus” in Parijs). “Meditations (on Integration)” was toen zijn solonummer voor basklarinet, ook al speelde hij er ook dwarsfluit op. Zoals die dag in het Luikse Palais des Congrès op 19 april 1964. Hilversum (2 juni 1964) bracht nog “Hypochristmutreefuzz” en “Epistrophy” - met de alternate take een dag eerder in Eindhoven, de fameuze ICP-015 plaat, waar Misha ook met zijn papegaai duelleerde ...

Een vrolijke noot tot slot? Dolphy’s muziek blijft zo klinken, behoudt de frisheid alsof ze gisteren werd opgenomen en gespeeld. Lees ook, al gaf Smithsonian het boek een kwarteeuw geleden uit, “ERIC DOLPHY - A musical biography and discography” van Simosko en Tepperman. Lees, maar luister vooral naar de “Iron Man” met “Hat and Beard”. Vooral “Serene”. Sereen.




homepage