Le Grand Robert (Sim Simons)

Je houdt van Bix Beiderbecke, Clifford Brown, Stan Getz, Max Roach en Elvin Jones. Je luistert naar hun muziek en je wil ze ook spelen. Je leest en je schrijft er ook over. Je stort je in researchwerk en je wordt een fervente verzamelaar. Je bent 25 als je eerste magnum opus “Jazz in Little Belgium” verschijnt.
“Le Robert” is een Franse standaard-dictionaire, de gemiddelde Fransman verrijkt zich met de kennis die “Le Petit Robert” verschaft. Zoals ik in de eerste lijnen Robert Pernet (° 16 oktober 1940) typeer, kan hij te dezen lande best doorgaan als “Le Grand Robert”. 32 jaar later is de tweede versie van zijn standaardwerk de tewaterlating nabij. Ik tref de nationale “Doctor Jazz” op dit cruciaal moment.


De verzamelmicrobe

Jong geleerd is oud gedaan ... De kleine Pernet was samen met deze microbe geboren. Verzamelde schelpen, keien, ... maar nooit “officiële” verzamelobjecten als postzegels of luciferdoosjes. De stap naar de jazz werd vlug gezet, maar hij lijkt heel eigenaardig: “Het begon allemaal door naar platen van Freddy Sunder te luisteren. Ik nam hem voor een Amerikaan. Zijn Ronnex-platen kondigden wel de rock-‘n-roll aan, maar ze bevatten toch veel jazzgerichte passages. Ik was toen dertien en duwde de platen op de jukebox tijdens de vakanties in De Panne. Terug in Brussel begon de schattenjacht en kocht ik er een aantal voor mezelf.”

Pernet kende inmiddels ook al wat andere namen als Armstrong en Bechet en zo begon zijn jazzinteresse. Hij wilde ook weten of er boeken over jazz bestonden. Het leidde hem naar vlooienmarkten, waar de wonderen de wereld niet uit waren. Hij kocht er wat 78’-ers van orkesten die hij helemaal niet kende. Hier en daar zaten er Belgen bij zoals Gus Clark en dat zette hem ertoe aan meer informatie over de musici in te winnen. Bleek toen dat hij al heel wat platen van eigen bodem in zijn prille collectie had. Waarom het allemaal gebeurde: hij kon bij die mensen te rade gaan. Er was al zoveel over jazz in het algemeen geschreven. Waarom dan zelf geen boek over Belgische jazz schrijven? Toch moest hij eerst over een ontgoocheling heen, weer aan de kust.

Terug in De Panne ontmoette ik een Antwerpenaar aan wie ik mijn belangstelling voor die Amerikaan Freddy Sunder vertelde. Bleek dat Sunder een Antwerpenaar was ...”


Little Belgium

Ik kwam in contact met Albert Bettonville, die veertiendaagse verzamelaarsbijeenkomsten hield. Boeiend en verrijkend was dat! Inmiddels was ik ook al muzikant en werkte zo veelal met oudere jazzmen, die me heel wat informatie bezorgden.”

Pernet begon ook magazines te verzamelen en legde een van de grootste collecties ter wereld aan. Overal abonneerde hij zich, kocht vroege oude nummers op, soms in talen die hij zelf niet begreep. Maar bij de meer bekende én tegelijk basistijdschriften waren Jazz Hot, Jazz Magazine, La Revue du Jazz, Bulletin du HCF, Amerikaanse als Down Beat die hij bij Staelens (die ook instrumenten verkocht) vond, Britse als Jazz Journal, Jazz Monthly en Melody Maker bij WHSmith & Son - nog steeds dé Engelse winkel in Brussel.

Toen startte mijn correspondentie met Harold Flakser uit Brooklyn - een specialist in de vooroorlogse Europese Jazz en in de Amerikanen die toen op het continent verbleven zoals Sam Wooding en Willie Lewis. Hij stuurde me ook de allereerste Londense Chas. Remue-opnamen uit 1927. Hier waren ze onvindbaar - hij had van elk wel drie-vier exemplaren.”

Robert bleef zich praktisch exclusief op de Belgische Jazz toeleggen en de idee van zijn boek groeide naar de realiteit. Een uitgever vond hij niet, dus draaide hij zelf maar voor de kosten op. “Jazz In Little Belgium” (1966) bestond uit twee delen binnen één volume - het historische en het discografische.

Dat was voor mij een ideaal visitekaartje, maar wel een catastrofe voor mijn bankrekening. Toch ben ik voort informatie blijven verzamelen en bleef ik met de idee van een bijgewerkte heruitgave spelen. Dat doe ik al meer dan dertig jaar ... Begin 1999 zal het dan zover zijn - al gaat het boek in twee delen uitkomen. Eerst de discografie - enorm uitgebreid tegenover de editie van 1966! Pas later komt de Belgische jazzgeschiedenis uit.”

Een van Pernets stokpaardjes is de prehistorie van de jazz: minstrels, ragtime, cakewalk. Van de eerste twee heeft hij duidelijke sporen in België teruggevonden. Maar dat lees je in deel twee of voorlopig in het luxueuze gedenkboek dat SABAM voor haar 75 jaar uitgaf.

Maar ook al wat er ter wereld aan jazzliteratuur verscheen, trok zijn aandacht. Later heeft hij die collectie om financiële redenen moeten verkopen. Robert dacht dat hij van de uit de handen gelopen hobby en van zijn activiteiten als muzikant kon leven. Gelukkig ging de complete verzameling naar één koper, waar hij nog altijd terecht kan als hij een en ander wil raadplegen. 1200 boeken, 14000 tijdschriften en talloze 78-toerenplaten, waarvan hij al zo’n 85% teruggevonden heeft.


Naslagwerk - maar ook slagwerk

We moeten terug naar de Westhoek, terug naar De Panne, waar hij jaarlijks dezelfde Brusselse vrienden met dezelfde jazzbelangstelling ontmoette. Toen Robert domweg de idee lanceerde dat het wel leuk zou zijn samen een groep te vormen, vond hij onmiddellijk instemming.

Ieder kocht in Brussel zijn instrument. Zelf wou ik eerst trompet spelen, maar vrij vlug koos ik voor de drums. Ik had thuis vroeger met koekjesdozen in slagorde “gewerkt”. Een vriend vond dat ik aanleg had, dus kocht ik mijn eerste tweedehands materieel bij Polfliet in Brussel. Ik was toen 14-15 jaar oud.”

Pernet neemt een twintigtal privé-lessen bij de Antwerpenaar Jean Peire. Dat gebeurt wel in Brussel bij Staelens van de tijdschriften aan de Rue du Midi. Zelf vindt hij de drums een instrument waar je vrij vlug andere musici mee kunt begeleiden - al moet je zelf wel wat meer dan techniek en truuks in je hebben. Later studeert hij ook met Johnny Peret, die hij nog steeds bewondert.

Mijn eerste optreden met publiek was op de school met o.m. Marcel De Schuytteneer, die me later aan Philip Catherine zou voorstellen. Ik speelde daarna wel weer met Marcel die ook graag de rock and roll - en bal -toer opging.”
In 1958 was Pernet tweemaal in de Rose Noire met Philip - die twee jaar jonger was en reeds met Lou Bennett begon te werken. Wat Robert later ook zou doen.

Een belangrijke gebeurtenis dat jaar op de Expo was de “Nationale Jazzdag”. Op een dag zag ik alle Belgische Jazzmen behalve wie naar het buitenland vertrokken was zoals Toots, Thomas, Jaspar en Sadi. Ik begon geregeld in de Rose Noire te werken met Jacques Pelzer. Hetzelfde jaar opende de eerste Blue Note in Brussel en daar ontmoette ik Benoit Quersin, die me heel wat optredens bezorgde met Pelzer, Bennett, de Zweedse bariton Lennart Johnsson en Rita Reys met Pim Jacobs.
Een dag nadat ik in de Rose Noire een gig voor oudejaarsavond 1959-’60 had aangenomen, belde Quersin me voor de Blue Note. Met Toots ... De baas van de Rose Noire had begrip voor de situatie en stelde voor ... beide jobs te doen. Een groot deel van de avond heb ik mijn drumstel van de ene plaats naar de andere gedragen - gelukkig lagen ze dicht bij elkaar. Er was weinig publiek in de Rose Noire, dus mocht ik na middernacht het feest in de Blue Note rondmaken. Ik bleef er twee weken met Toots, een periode waarin ik meer opstak dan anders in tien jaar
...”


Babs - en nogmaals Robert

Het kwartet van Marcel “Babs” Robert (met Robert) werd in februari 1960 gevormd en zou tien jaar standhouden. “Er werd avant-garde jazz gespeeld, maar - alles bleef gestructureerd, geen free jazz, al experimenteerde ik ook een paar keer met de kerels uit Antwerpen en Gent - Fred Van Hove, Paul Van Gijseghem, Ronald Lecourt en een avondje Don Cherry.
Twee mooie herinneringen met Babs Robert: het allereerste festival van Montreux (1969). Daar kreeg ik de onderscheiding van de beste drummer van dat festival. Ik spreek er niet graag over, maar ik heb nog altijd het diploma! De andere keer waren we uitgenodigd op het Festival van Warschau (1968) waar het uitzonderlijk succes ook op een Muza lp (XL501) te horen is. Met de groep als dusdanig maakten we een volledige plaat bij Steurbaut in Gent voor het Alpha-label (AL7003), dat voor de rest enkel platen van de Cotton City Jazz Band uitbracht: “Babs Robert and the Love Planet
.”

Buiten het werk met de groep van Babs begeleidde Pernet een reeks andere “gewone” musici: Lou Bennett, René Thomas, tweemaal Bobby Jaspar en dikwijls Jack Sels. En Tubby Hayes ...
Formidabel! Dat was in Oostende, waar ik ook speelde met musici van de Lecuona Cuban Boys, die in het casino werkten en enkel Spaans spraken ... Een had een kleine platenspeler mee en opnamen van John Coltrane: Koltran, Koltran, ...
En dan waren er Nathan Davis, Attila Zoller en Tete Montoliu - een uitwisbare herinnering. Tony Scott - net het tegengestelde. “Il se rendait compte que je m’enmerdais, quoi” - we moesten gewoon spelen wat het publiek vroeg. Met Stéphane Grappelli deed ik een keer drie avonden en dan nog een Belgische tournee
.”
Er was ook nog een 45-toerenplaat met het Brussels Art Quintet in september 1968, mét Robert & Robert en een gitarist - Daniel Schellekens, die later als Daniel Schell in de groep COS (met Charles Loos en op drie nummers uit 1973 - Robert Pernet) zou opduiken: “Postaeolian Train Robbery” heette de plaat (nu op cd Musea FGBG 4028.AR). De groep met Robert heette nog Classroom en bestond al in 1968 met ook Babs Robert erbij. Drie foto’s in het inlegboekje tonen Robert Pernet als een glamour-versie van Charlie Watts.

Ik maakte nog lp’s met Phil Raphael, met John Ouwerx - helemaal geen succes - een 45-toeren met de groep Klan n° 2 (met Scott Bradford, Jesse and James en Lou Deprijck).”

En dan nog de allereerste?

Juist, met Philip Catherine. Op 15 maart 1967 was er het “Tournoi du Brabant” met twee categorieën - Dixieland en Modern.”
Philip en Robert werden ex aequo laureaat als solisten bij de eigentijdsen en dat leverde een plaatje op onder de hoofding “Philip Catherine & Robert Pernet” met pianist Adriano Pateri en bassist Freddy Deronde.


Oudere borstels vegen minder

“Jazz à bâtons rompus” heette een van de uitzendingen van Albert Bettonville. De brushes en de stokken geraakten vermoeid, de groep met Babs Robert had zijn decennium uitgedaan. Pernet speelde nog wat links en rechts en besteedde meer aandacht aan b.v. de European Jazz Federation, een vereniging ter promotie van jazz met congressen - eerst in Oost-Europese landen als Polen, van waaruit ook het tijdschrift Jazz Forum vertrok met als Belgische correspondent Mon Devoghelaere. Pernet trachtte in ons land een kerngroep op te zetten, maar dat sloeg niet aan.

In trio met Charles Loos en Jean-Louis Rassinfosse beet weer even de speelmicrobe - een drietal jaren om en bij de 1980, maar inmiddels had Robert weer een dagtaak bij zijn broer opgenomen. Een zware depressie maakte het hem niet makkelijker, maar toen verscheen de fenix weer: hij kocht een computer en zette zich aan de verwerking van de omvangrijke aanvulling van zijn discografie. Even (1996-’97) speelde hij nog met “Jazzfun” (Herman Sandy, Alex Scorier, Roger Asselberghs), maar dat was de finale: Robert van Jazz in Little Belgium was weer opgestaan, de pret was eraf. “Na tien jaar intensief werken met Babs Robert en drie jaar met Charles Loos interesseert het me niet meer met de eerste de beste te gaan spelen. En om te spelen met de jongere generatie van vandaag weeg ik niet zwaar genoeg. Ik hou overigens niet van hun muziek - technisch zijn ze fabuleus, maar velen lijken zo op elkaar. Enkelen zullen wel bovendrijven mettertijd, ze missen nu maturiteit.”

Maar ze staan wel in je discografie?

Natuurlijk - een disco is geen kritisch werk, maar streeft naar volledigheid binnen het genre.”

En daar staat Le Grand Robert van Jazz in Little Belgium weer op, gepassioneerd in zijn research. In Little Belgium.

Toen ik 20 was, wilde ik met mijn collectie naar Amerika vertrekken. Op mijn 25ste en 30ste ook nog. Maar nu ben ik liever “à mon aise”. Trouwens de mentaliteit van de Amerikanen staat me niet aan en ik zou daar niet kunnen leven. Natuurlijk heeft jazz zich daar ontwikkeld.”

Zij het met duidelijke Europese en Afro-Antilliaanse invloeden eerst en nog veel meer nu. Een conclusie?

De Belgische Jazz bestáát nu - we zijn geen Amerikaans ersatzproduct. Voor zo’n klein land waren we al voorlopers in het begin van de jaren twintig - dat erkennen zelfs de Fransen. Enkelen van onze naoorlogse musici maakten het (meestal even) in de States - er is nu een technisch sterke generatie.”

De neerslag daarvan vind je in de “Belgian Jazz Discography”, deel 1 van de heruitgave van “Jazz in Little Belgium”. Pernet vermeldt àlle opnamen met jazzwaarde waarin Belgen spelen, ook al is het er maar één. Het geeft een heel andere en bijzonder boeiende invalshoek. Op elke bladzijde leer je wat bij - je wordt stil van je minieme kennis van de vaderlandse geschiedenis, die dan uitgebreid in deel 2 aan de beurt komt, per-netjes uitgetekend.




homepage