Swing met fluwelen handschoenen, blues in luxeverpakking (1) (Luc De Baets)

Een verhaal over Duke Ellington en Billy Strayhorn, hun persoonlijke en muzikale relatie

Reeds in 1980 schreef jazzcriticus Gary Giddins dat hij er sterk van overtuigd was dat het uitvoeren van jazzrepertoire een van de grootste uitdagingen zou worden in de komende jaren. “Dat zal aanleiding geven tot een nieuw soort muzikant, luisteraar en criticus. Die zullen gedwongen worden de elementen van deze muziek opnieuw te ontleden en te overwegen hoe deze muziek opnieuw waardig tot leven kan gebracht worden in de concertzaal of de ballroom. Een altijd op de loer liggende vijand zal daarbij de nostalgie zijn. Maar als Mozart vandaag kan vertolkt worden zonder overdreven rococotierelantijntjes, waarom dan niet Ellington, Jelly Roll Morton en andere Amerikaanse grootheden? “ Aldus Giddins!
Geen gemakkelijke taak, die bovendien door vele muzikanten, critici en liefhebbers lang als onbelangrijk werd beschouwd. Vandaag de dag lijkt er schot in de zaak te komen. De grootste kluif daarin lijkt het Ellington-repertoire te worden. Het lijkt er immers sterk op dat de muzikale wereld pas nu de ware betekenis van Duke Ellington ontdekt. Iemand als Wynton Marsalis heeft zich met behulp van het Lincoln Center Jazz Orchestra alvast voorgenomen het Ellington-repertoire ruimere bekendheid te geven. Dichter bij huis heeft de Belgische bassist Jean Warland met zijn groep Saxport en het “A”-Train Sextet o.l.v. Richard Rousselet , hier en in Duitsland zijn steentje daartoe bijgedragen.


The Duke

De belangrijkheid van Duke Ellington wordt kort en krachtig samengevat door musicus en schrijver Gunther Schuller: “Vooreerst omwille van het feit dat Ellington lange tijd de enige componist was in de jazzmuziek, met uitzondering van Jelly Roll Morton. Hij produceerde tussen de 1500 en 3000 kwalitatief sterke composities. Who the hell ever did anything like that? Ook was hij 10 tot 20 jaar vooruit in zijn manier van componeren. Bovendien leidde hij vijftig jaar een orkest. Dit was zijn instrument, niet de piano. Dit is uniek in de annalen van de jazz en wellicht in de muziek in het algemeen.”
Dat Ellington zo laat ten volle geapprecieerd wordt, is in de artistieke wereld geen uitzondering. Typerend daarvoor is wat de Nederlandse schrijver J. Bernlef in het Nederlandse tijdschrift Jazz Nu over Ellington schreef: “In de jaren vijftig luisterde ik naar de gloednieuwe bebop. Orkesten als Woody Herman en Stan Kenton waren toen de big bands die in Nederland heel bekend waren. Zo nu en dan hoorde ik in die tijd een plaat van het orkest van Duke Ellington, dat al in 1927 optrad. Voor een dertienjarige behoorde zo’n orkest dus bij de “oude jazz”...Mijn vooroordeel duurde tot in de jaren zeventig, moet ik tot mijn schande bekennen. De naam Duke Ellington viel steeds vaker, maar ik koesterde mijn vooroordeel dat mij vrijwaarde van het kennisnemen van wat toen al een fabuleus oeuvre was... zijn werk was zoiets als dit van Marcel Proust. Het was zo uitgebreid dat ik de kennisname ervan altijd tot een later tijdstip uitstelde. Ooit zou ik... Tot twee Ellington-liefhebbers op een middag achter mijn muzikale lacune kwamen en mij de op Shakespeare geïnspireerde suite Such Sweet Thunder lieten horen (ook Shakespeare had ik om bovenomschreven reden toen nog grotendeels ongelezen gelaten). Die suite was een openbaring, vergelijkbaar met de eerste keer dat ik de Sacre du Printemps van Stravinsky hoorde. Ik besefte dat het muzikale universum van Duke Ellington, volstrekt uniek was, het werk van een tovenaar. Het orkest klonk volstrekt anders dan de big bands waaraan ik gewend was. Het was minder geharnast, minder gedisciplineerd. De verschillende stemmen leken er niet op gericht als een eenheid te klinken, maar als een diversiteit van subtiel op elkaar afgestemde kleuren op een palet. De saxsectie van Ellington ademde als een koor, waarin iedere solist zijn eigen persoonlijke klank toevoegde om tot dat sensuele, soepele spel van tegen elkaar ingaande melodielijnen te komen...”
“Iedereen is het erover eens dat Ellingtons personalistische aanpak, waarbij hij bij het orkestreren uitging van de persoonlijke muzikale eigenschappen van ieder afzonderlijk bandlid, tot dat unieke en typische Ellington-geluid heeft geleid: swing met fluwelen handschoenen. Aards maar ook chique. Blues in luxeverpakking.“


Ellington of Strayhorn?

Eind van de jaren dertig was Ellington een prille veertiger, had ruime ervaring als bandleader en had als componist na stukken als pakweg Mood Indigo, Solitude en Sophisticated Lady al niets meer te bewijzen. Hij hanteerde het orkest voluit als zijn klankbord en had zo te zien geen behoefte aan een assistent of een extra componist-arrangeur. Toch haalde The Duke in 1939 Billy Strayhorn bij het orkest oorspronkelijk als lyricist. Het was het begin van een bijna dertigjarige samenwerking tot Strayhorns dood in 1967. De ontmoeting van Ellington met de gelijkgestemde Billy Strayhorn leidde tot klassiekers als Take The “A” Train, Chelsea Bridge en Satin Doll. Maar ook tot suites als Such Sweet Thunder. Ellington had zijn ruime orkestervaring, zijn speciale compositietechniek in functie van de mensen in de band. Strayhorn had ervaring met klassieke muziek, een gebied dat voor Ellington toen nog onontgonnen terrein was.
Die fusie van jazzelementen en symfonische kleuren veranderde grondig het concept van het orkest en het klankenpalet. Dit kon alleen het resultaat zijn van een heel speciaal partnership. Ellington leerde van Strayhorn en omgekeerd. Wat de inbreng van elk was, is moeilijk in te schatten. Vandaar dat wellicht heel wat stukken, die nu aan Ellington toegeschreven worden, in feite door beiden geschreven zijn. Samen bereikten ze wat wellicht elk apart ook gekund had. “Ze kwamen daarbij vaak op dezelfde ideeën via tegengestelde middelen”, zegt David Berger, die heel wat transcripties deed voor o.a. het Lincoln Jazz Orchestra en leider is van The Smithsonian Jazz Orchestra. De Ellington band die in de twintiger jaren het publiek vermaakte met swingende dansmuziek en de jungle-sound, was later een symbool geworden voor het documenteren van de Amerikaanse zwarte muziek. Waar George Gershwin, Aaron Copland en anderen de “American Dream” vertaald hadden in muziek voor een Europees symfonisch orkest, had Ellington dat op zijn manier gedaan voor de zwarte populatie door de transformatie van een Amerikaans dansorkest tot een heel apart concertensemble.
Later zou Strayhorn Ellington pushen naar meer ambitieuze, klassiek getinte werken, zoals de Sacred Concerts van de jaren zestig.
Hoe komt het dat Billy Strayhorn zo in de schaduw gebleven is van Ellington? Volgens Walter van de Leur (2), Nederlands musicoloog, ligt dat in het feit dat “de muziekindustrie behoefte had aan helden en Ellington die heldenrol goed kon vervullen. Hij leidde het orkest op het podium, stond journalisten te woord en ging met staatshoofden op de foto. De pers en het publiek zaten absoluut niet te wachten op gegevens over zo’n complexe figuur als Strayhorn; dat maakte de zaken alleen maar ingewikkeld. “ Een logische en nuchtere uitleg, maar de relatie tussen Ellington en Strayhorn was niet zo eenvoudig. De werkelijkheid is veel complexer! David Hajdu, voorzitter van de Duke Ellington Society in NYC en Strayhorns biograaf, helpt ons om het mysterie op te lossen.


Swee’ Pea (3)

Strayhorn, geboren in Dayton (Ohio) op 19 november 1915, had in Pittsburgh een uitgebreide muzikale opleiding gekregen aan het conservatorium. Al vroeg had hij op zijn naam enkele composities, die jazz met klassieke elementen vermengden. Hij verdiende zijn kost als barpianist, had een eigen trio en maakte bewerkingen voor een half dozijn bands in de stad. Ook al vrij jong had hij stukken geschreven als Something To Live For en Lush Life. Maar rassendiscriminatie en vooral het feit dat hij homoseksueel was, deed hem tenslotte alle krediet verliezen. Toen de Ellington-band in 1938 in Pittsburgh speelde, werd Strayhorn aan Ellington voorgesteld. The Duke moet in ieder geval zwaar onder de indruk gekomen zijn van Strayhorn. Want hij haalde de verguisde jonge man stante pede naar New York en bracht hem onder bij zijn familie in zijn appartement in Harlem. Hier voelde Swee Pea, zoals hij door Ellington vaak genoemd werd, zich geborgen, kon hij zijn creativiteit uitleven in de schaduw van The Duke. Hij was tevreden te kunnen meeschrijven aan het grote Ellington Songbook. Roem interesseerde hem blijkbaar niet. Hij had er bovendien, gezien zijn geaardheid, belang bij om de spots te mijden.
Het vertrouwen was wederzijds groot. “Wij hadden een relatie die niemand in de wereld kan begrijpen”, zei Ellington in een interview. En dat Strayhorn meer was dan een hulpje, onderstreepte The Duke met zijn typisch taalgebruik als volgt: “Zijn goedkeuring was alsof ik geharnast buitenstapte in plaats van in mijn blootje!” In zijn boek Music Is My Mistress staat te lezen: “Hij was niet, zoals algemeen gedacht, mijn alter ego. Billy Strayhorn was mijn rechterarm, mijn linkerarm, de ogen achter in mijn kop, mijn ideeën in zijn hoofd en de zijne in mijn hoofd.” Ellington die weinig uren sliep - de grote zakken onder zijn ogen zouden daar het gevolg van zijn! - had de gewoonte muziek te schrijven tot een gat in de nacht. Hij ging veelal pas bij het krieken van de dag slapen en wekte eerst Strayhorn om het werk verder af te maken. Ze begrepen mekaar intuïtief, stilzwijgend. Er werd nauwelijks gesproken. Strayhorn nam gewoon de draad op waar Duke gestopt was en ging verder. Wanneer The Duke met de band toerde, belde hij constant met Billy om ideeën uit te wisselen.


Muziek: Ellingtons enige liefde?

Die intimiteit tussen beiden was onverklaarbaar en stond haaks op Ellingtons persoonlijkheid en karakter. “Hij kon niet verdragen dat iemand zijn gedachten kon lezen!”, merkte zijn zoon Mercer Ellington op. “Pa kende ieders zwakheden, maar hij zou nooit geduld hebben dat iemand de zijne kende. Strayhorn was de enige, die toegang had tot zijn ziel. Die deur bleef dicht voor iedereen, ook voor zijn familie, zijn vrouwen, ook voor mij, zelfs toen hij stervende was en ik de enige was bij hem”, merkt Mercer enigszins verbitterd op.
Een vriend van beide componisten zei eens gevat: “Duke Ellington leefde alleen voor de muziek. Hij ademde, at en dronk muziek. Dat was het enige waar hij mee bezig was en waar hij van hield. En hij hield van Billy omdat ze samen muziek maakten.”
Marian Logan, vrouw van Ellingtons huisdokter, typeerde The Duke als volgt: “Iedereen weet dat Ellington acht miljoen (sic!) vrouwen had. Met zoveel ben je nooit thuis voor langer dan één dag... De enige partner was Billum (Strayhorn) . Hij noemde hem zijn muzikale gezel en daar hield Strayhorn van. Edward (Ellington) hield iedereen ver van zich af en bouwde een muur rond zich heen. Een grote, gouden, schitterende muur. De enige persoon daarbinnen met hem was Billy. Hij liet zelfs zijn eigen dokter daar niet in. Nooit was hij zo intiem met zijn liefjes als met Strayhorn. Hij had alle vertrouwen in hem omwille van iets wat hem diep raakte: muziek. Moeilijk te omschrijven, je kan het noemen wat je wil, maar het had te maken met muziek en ik denk dat dit de enige liefde was, waartoe Ellington in staat was.”


Jong en sexy

Gezien het leeftijdsverschil en gezien Ellington hem in de familiale kring opgenomen had, zou men geneigd zijn om te denken dat het een soort vaderliefde was. Maar zangeres Lena Horne, de boezemvriendin van Strayhorn, ziet dat anders : “Duke wilde niemands vader zijn, hell no! Zelfs niet van zijn eigen zoon en zeker niet van Billy.” En grinnikend voegt ze daar aan toe: “Hij was niet oud genoeg om vader te zijn. Duke was jong voor eeuwig - dat dacht hij tenminste - jong en sexy. Luister naar zijn muziek. Hij verouderde geen dag, tot Billy stierf.”
Toen Strayhorn in 1967 stierf, was Ellington ontroostbaar. Het was zo opvallend dat Joe Morgen, zijn publicist, inderhaast een (zelf gefabriceerd) zogezegd eerder opgetekend interview liet publiceren, waarin Strayhorn op een onwaarschijnlijke manier met klem zijn vrijgezellenstatus rechtvaardigde door te beweren dat zijn appartement er zo slordig bijlag, dat het iedere vrouw de lust ontnam bij hem in te trekken.
De lijn is dus moeilijk te trekken. Maar het is een feit dat de homoseksuele Strayhorn relaties had met andere mannen. Wilde hij dat met Ellington ook? Zoon Mercer zegt ontwijkend: “Het is goed mogelijk dat vader, door de sterke band die hij had met Billy en gezien zijn seksuele appetijt en zijn zin voor avontuur wat in die richting geëxperimenteerd heeft. “ Maar ook hij zegt het niet te weten en er in zijn onmiddellijke omgeving ook weinig over gehoord te hebben! Sam Shaw, in 1961 producer van de film Paris Blues met muziek van Ellington en Strayhorn, zegt dat Duke met hem praatte over Billy en homoseksualiteit. Hij verwees naar gebruiken in Afrika, waar hogepriesters in lange blauwe kleren - blauw was Dukes lievelingskleur - , biseksueel waren. Ellington aanvaardde dit als natuurlijk.
Een ding staat als een paal boven water. Los van alle praatjes, is het een feit dat Ellington een kleine, bescheiden homoseksueel aanvaardde, beschermde, koesterde en aanmoedigde. Hij hield van hem als een zielsgenoot en stimuleerde zijn creativiteit. Het resultaat is te vinden in sensuele stukken als Passion Flower, A Flower Is A Lonesome Thing, Lotus Blossom, Chelsea Bridge, Daydream, Blood Count en vele andere, die de diepste, subtiele zieleroerselen van een zachtaardige, wat mensenschuwe maar geniale dromer weergaven.


Verklaring en praktische informatie:
(1): woorden van J. Bernlef. Zie verder in de tekst.
(2): Musicoloog Walter van de Leur werkte met David Hajdu samen aan Billy Strayhorns biografie. Van de Leur had via de familie van Strayhorn toegang tot de nalatenschap van Strayhorn. Hij haalde heel wat onuitgegeven werk van Strayhorn van onder het stof. Werk dat o.a. door het Dutch Jazz Orchestra uitgevoerd werd en op een eerste cd verscheen onder de naam Portrait Of A Silk Thread (Dutch Jazz). Onuitgegeven werk van Billy Strayhorn kan besteld worden bij de Billy Strayhorn Manuscript Editions, P.O. Box 10285, Pittsburgh, PA 15232. Maar ook evengoed via E-mail bij Walter van de Leur op het adres wvandeleur@wxs.nl.
Van de hand van Walter van de Leur verschijnt bij Oxford University Press eerlang een studie van de muziek van Strayhorn.
(3): Swee’ Pea: troetelnaam van William “Billy” Strayhorn.
De biografie Lush Life van David Hajdu verscheen in 1996 bij Farrar Straus Giroux, 19 Union Square West, NY 10003.

Bronnen:
Biografen als David Hajdu, Walter van de Leur en artikels in bladen als Down Beat, Jazz Times, Jazz Nu, Vanity Fair.





homepage